| PLATFORM voor duurzame bouwgrondstoffenvoorziening |
Home | Informatie | Inschrijven | Verslagen | Mailinglijst | Links |
Verslag van de bijeenkomst 'Taakstelling en Duurzaamheid' op 28 september 2000De voorzitter van het platform, Paul Ike, opent de bijeenkomst en stelt de twee sprekers voor:
Introductie over het thema door Bart de JongTaakstellingen zijn naar zijn mening niet gelimiteerd tot beton- en metselzand. Er zijn meerdere taakstellingen in de sector. Alle taakstellingen zijn meetbare afspraken: ze zijn niet opgelegd door het hogere instanties maar afspraken tussen bedrijfsleven en overheden en overheden onderling. Enkele van de belangrijkste taakstellingen in de sector zijn:
Als we deze taakstellingen bekijken vanuit het oogpunt van duurzaamheid dan moeten we eerst kijken wat we met duurzame bouwgrondstoffenvoorziening bedoelen. Hij stelt: een duurzame voorziening met duurzame bouwgrondstoffen. Duurzame voorziening houdt in: op het tijd, voldoende, een goede kwaliteit en minimale milieugevolgen van bijvoorbeeld transport. Duurzame bouwgrondstoffen houden in: duurzaam geproduceerd omdat ze weer bijgroeien. Voor oppervlaktedelfstoffen kun je dus niet spreken over duurzaam, maar over zo duurzaam mogelijk; het gebied waar ze gewonnen worden groeit niet meer bij. Het gaat erom om een eenmaal gewonnen bouwstof zo lang mogelijk in de keten te houden. Overigens kun je van secundaire grondstoffen niet zomaar zeggen dat ze duurzaam zijn, er is immers zoveel energie nodig voor de productie ervan en vaak veroorzaken zij emissies door uitloging. Voor deze grondstoffen is het hergebruik van bouwelementen en bouwdelen van groot belang, omdat daarmee de bouwgrondstoffen zo lang mogelijk in de keten blijven. Naar de mening van De Jong zijn er dan ook nieuwe taakstellingen nodig zijn voor hergebruik van bouwdelen en bouwelementen en voor vernieuwbare grondstoffen. Als we realistisch kijken naar duurzame bouwgrondstoffenvoorziening dan moeten we wel constateren dat we nog voor 80% afhankelijk zijn van oppervlaktedelfstoffen, dat we voor 15% afhankelijk zijn van secundaire grondstoffen en dat de twee alternatieven die in zijn beschouwing het best uit de bus komen slechts 5% bijdragen. We zitten dus nog heel ver van het ideaal af. Verder kunnen we ons nog afvragen of hout dat van heel ver moet worden aangevoerd nou zoveel beter is dan lokaal gewonnen betontoeslagstoffen. En soms kan het opwerken van bouwelementen uit energie-oogpunt niet zo handig zijn. Dat betekent dat we van geval tot geval afwegingen moeten worden gemaakt en meer maatwerk nodig zal zijn. Introductie over het thema door René MeijnenMeijnen begint met enkele cijfers over de sector: de bouw heeft een omzet van NLG 90 miljard en biedt werkgelegenheid aan 450 000 personen. Deze bouwsector gebruikt jaarlijks 23 tot 26 Mton grind, 22 tot 24 Mton industriezand, circa 45 mln m3 ophoogzand en 2,5 tot 3 mln m3 klei. De grondstoffenbedrijven zijn dus niet primair voor zichzelf bezig, maar leveren grondstoffen toe aan de bouw. Schertsend zegt hij: "als men in hout wil gaan bouwen, dan gaan we bomen verbouwen". In bestuurlijk overleg op 27 november 1997 is een taakstelling afgesproken van 170 Mton beton- en metselzand voor de periode 1999-2008. Tevens is afgesproken dat het Implementatieplan Alternatieven voor beton- en metselzand (PIA) zal worden opgesteld, dat bestaande en voorbereide locaties niet zullen worden gestopt, dat vergunningsinstanties voor elkaar zullen inspringen en dat er een ijzeren voorraad van vijf jaar aanbaggerbaar zand zal zijn. In het implementatieplan wordt gekeken naar alternatieven: secundaire grondstoffen, secundaire ontgrondingen, fijner zand in beton en beton- en metselzand uit het Nederlandse deel van de Noordzee. Ook zou worden gewerkt aan het ontwikkelen van draagvlak voor nieuwe winningen. Door de actuele ontwikkelingen dreigen op korte termijn in 2001 en 2002 tekorten in de voorziening. Ook voor de lange termijn tot 2018 zullen nog veel projecten nodig zijn, zeker als de behoefte toe blijft nemen zoals wordt verwacht. Het project Ruimte voor Rijntakken biedt daarbij grote kansen door combinatie van zandwinning, bevorderen van veiligheid en natuurbouw. De import en export bedraagt als volgt: import uit Duitsland 6 tot 7 Mton/jaar, import uit Engeland 1 tot 2 Mton/j, export naar België 7 tot 9 Mton/j. De export is vooral fijner zand, het schaarse materiaal in Nederland is met name betonzand. Naar aanleiding van de alternatieven in het Implementatieplan voor Alternatieven voor beton- en metselzand (PIA) merkt hij nog op dat hij zich afvraagt of fijn zand in beton mogelijk zal zijn, of er wel voldoende zand uit te bouw- en sloopafval beschikbaar zal zijn en dat zeezand sowieso al nodig is voor het invullen van de taakstelling van Rijkswaterstaat. Meijnen stelt een integraal pakket voor dat is ontwikkeld door de Stichting Zand in samenwerking met NVTB, VOBN en BFBN.
DiscussieEnkele van de punten uit de discussie zijn de volgende: Volgens de voorzitter is duurzaamheid onderbelicht binnen het thema: taakstellingen en duurzaamheid. De Jong ziet enkele belangrijke nieuwe ontwikkelingen rond duurzaamheid: het vervangen van 'overige zanden' naast het betonzand, milieuvriendelijker wintechnieken en interdepartementaal overleg over het bevorderen van toepassing van hout. Meijnen geeft aan dat ook bedrijven aan duurzaamheid doen: er wordt geïnvesteerd in milieuvriendelijke installaties, bedrijven innoveren en bedrijven doen milieueffectrapporages van ontgrondingsprojecten waaronder ook evaluaties. Bert van der Moolen (Natuur en Milieu Overijssel) mist het lokale niveau bij de visievorming over duurzaamheid rond ontgrondingen. Meijnen antwoordt dat men een project probeert te ontwikkelen in samenwerking met lokale overheden. Door een inconsistent beleid van de hogere overheden is het echter moeilijk voor gemeenten om winning toe te laten. Hij is gaarna bereid om discussies met lokale groeperingen aan te gaan. Hisse de Vries (Provincie Noord-Brabant) onderschrijft de strekking van het verhaal van Bart de Jong. Hij heeft echter nog enkele aanvullingen of nuanceringen daarop:
Er ontspint zich een discussie over de transfer van zanden tussen verschillende provincies. Het beleid is nu gericht op eigen voorziening voor zover dat geologisch mogelijk is. Er zijn echter allerlei factoren die dit beleidsuitgangspunt beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld het feit dat bedrijven in Noord-Nederland grof betonzand inkopen dat per schip wordt aangevoerd en niet het wat fijnere materiaal dat lokaal kan worden geproduceerd. Verder zijn er provincies zoals Overijssel waar alleen afvoer per as plaatsvindt zodat moeilijk kan worden bijgedragen aan de voorziening in West-Nederland. Gijs Sigmond (FODI) start een discussie op over de ruimtelijke ontwikkelingen rond de bouwgrondstoffenwinning, met name op de lange termijn zullen we nog veel winningen nodig hebben. Moeten we niet veel meer kijken naar planologie en win-win-situaties? De Jong ziet hier primair een taak voor de provincies; pas als het spaak loopt zal het rijk dergelijke taken overnemen. Met name vanuit het bedrijfsleven wordt echter aangedrongen op een wat hardere hand van het Rijk bij het opstellen van het Structuurschema Oppervlaktedelfstoffen. Frits Fokke (Stichting Zand) stelt bijvoorbeeld de delfstoffentoets voor: bij planontwikkelingen zouden lokale overheden eerst moeten nagaan wat de mogelijkheden zijn voor grondstoffenwinning. Piet van Weelden (Economische Zaken) merkt op dat afspraken ook juridisch handhaafbaar of controleerbaar moeten zijn. Bijvoorbeeld preventie van bouw- en sloopafval is niet kwantitatief meetbaar: wel inspanningsverplichting, geen resultaatsverplichting. "We vertrouwen elkaar niet, dus moeten we de instrumenten daar op afstemmen". |